Jeroen en Marlene wonen nu 8 jaar op een klein uur rijden van Manhattan. Voor het eerst in die tijd gaan we er nu fietsen. Enthousiasme over mijn hervonden hometown, een garage vol geöliede tweewielers, een fietsenrek voor achterop de Lexus Hybrid drive. Do the math.
Vanaf de 20e straat, waar de auto lekker veilig precies voor het politiebureau staat en de rode ‘no parking at any time’ bordjes onopgemerkt blijven, zijn we in een paar minuten in het stuk van de stad waar de straten namen hebben en een kaart dus nodig is.
Scherp straatvuil is echter van alle straten.
In mijn euforie over de fiets heb ik reeds een imperium opgebouwd, met honderdduizenden fietsen, fietswinkels, luchtpunten, fietspaden, lobbygroepen, slimme stallingen en schone adem. Vooralsnog natuurlijk nog slechts in mijn hoofd. Dus wie nu met een lekke band op Manhattan staat, heeft een probleem.
De I-phone van Jeroen biedt soelaas. Eén (lange) straat verder zit een winkel voor deze exotische techniek. Ik heb het over een fietsenmaker.
In een handomdraai komt het lekke voorwiel los, ik leg het als een tweede stuurwiel op het stuur van een andere fiets en ik vertrek. Het autoverkeer is inmiddels tot stilstand gekomen. Auto’s geparkeerd in de vakken en op de rijbaan. Niets beweegt meer, want hier zijn geen fietsers.
Ik draai de (lange) straat in. Grand. Zover ik kan kijken strekt hij zich voor me uit. Als een kaarsrechte rivier uitgesleten in een canyon. In de steile wanden zijn ramen, deuren en uithangborden uitgehakt. Twee rijen auto’s tot aan de horizon. De ene rij zonder, de andere rij met bestuurders. Ernaast strekt zich het fietspad uit. Gloednieuw, ongebruikt, groen beäsphalt, ook tot de horizon. Boven elk kruispunt hangen stoplichten. Als ze verspringen vormen ze een groen lint boven de weg.
Al het verkeer blijft echter stilstaan.
Behalve ik.
Ik speer langs iedereen. Het lek-gebande wiel op mijn stuur belemmert me niet bij sturen, schakelen of vaart maken. Tandje erbij. Soho wordt Chinatown, Chinatown wordt buitenwijk, buitenwijk wordt havengebied.
De gezochte winkel wordt duidelijk gemarkeerd door een zwerm fietsen voor de deur en een enorme zwart geklede en –bebaarde man.
De Nieuwe Biker.
Hij praat met een klant op straat en een andere aan de telefoon en houdt ondertussen zijn hand op om mijn wiel aan te pakken. Hij rondt het telefoongesprek af, praat nog even met de klant op straat, op wat onwennige toon (het blijft een biker), hand met telefoon verdwijnt in zijn zak en komt er weer uit met een groot formaat plastic bandenlichter, wipt de buitenband van de velg, is klaar met de klant op straat, trekt binnenband van het wiel af en zegt “only by appointment.”
“You rang right?” vraagt-ie zonder dat hij antwoord wil.
Ik begin te vertellen van vrienden van buiten de stad, al jaren hier, nooit gefietst, Nederlanders nog wel, maar hij is totaal niet geïnteresseerd.
Hij loopt naar binnen, pakt een nieuwe band uit de winkel die met hem erin echt helemáál vol is, of ik dan ook buiten wil blijven. “Just watch your bike.” Hij praat alweer met een medewerker over een bestelling, pompt de band half op, zijn mijnwerkershanden duwen beide banden rond het wiel en hij neemt de telefoon alweer op. “Yeah it’s me. Happy mothers day… I know, that’s why I said it first, bitch,” was dat een knipoog? Hij praat verder, band aan luchtslang, hij reikt het wiel aan. “Eleven” zegt hij midden in een telefoonzin. Ik geef hem twintig en hij haalt het wisselgeld. Ik geef twee dollar fooi en wens hem een fijne dag.
“My mother died two years ago on mothers day.”
“Gee, I’m sorry.”
“And my father on may 18.”
“Wow, this must be a bad week for you.”
“A bad month.”
“In that case, you have a nice mothers day.”
Hij kijkt me monsterend aan. Of een klap, of een lach.
Het wordt een lach.
zondag 5 juli 2009
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten