zondag 5 juli 2009

Museo de la revolucion.


Niets blijft ons bespaard. De broek die hij aanhad toen-ie ergens was en de blikopener die hij had in de jungle.
De vijand is laf, misdadig, vermoordt, onderdrukt. Het volk is heldhaftig, onschuldig, lijdt en wordt uitgeknepen. De revolutionairs zijn martelaars, redders, helden. Amerikanen zijn imperialisten op Cuba, Cubaanse troepen zijn bevrijders in Angola, vanwaar ze en passant de apartheid in Zuid-Afrika om zeep helpen.
Gemeentelijke en staatsgebouwen zijn opgeknapt. Alle andere op sterven na dood. Zwerven door de vuile straten, langs afbrokkelende gevels, maakt me depressief. Ik wuif vervelende maar ondernemende hustlers weg, durf gitarende en zingende jongens niet aan te kijken omdat ze dan geld willen. Speciaal voor mij verkrachten ze Yesterday in een lounge-Gipsy King uitvoering, daarna gelukkig weer meerstemmige Latin. Is Yesterday voor hen de tijd voor Fidel, of juist de tijd ná Fidel, wellicht nog onzekerder. De Beatles mochten Cuba niet in, nu is Lennon een held van de revolutie. En probeer de melancholie maar eens uit Spaanse meerstemmige gitaarmuziek te halen. Corazon, amor, madrugada, estrellas, godvergeten onmogelijk om daar een dijenkletser van te componeren.
Ik zit 1 hoog aan de Malecon, de zee kabbelt zonder wit. Jongens zwemmen op een opgeblazen binnenband. Nu is het nog spelen. Wanneer gaan de stoute schoenen aan?
Het eiland houdt 10 meter na de boulevard op. Geen strand, een soort ruwe betonnerige rotsen waarop je niet kan liggen en die het einde van het land onverbiddelijk markeren. De zee erachter ligt er zonder enige onstuimigheid, alsof ze het eiland geen branding gunt. Dit zou maar haar bestaan bevestigen.
De drie jongens spelen maar door. Echt passievol is het niet, pas als er potentiële klanten langs de Malecon slenteren, sissen ze “fuera, fuera”, en draaien gedrieën naar de boulevard om de voorbijgangers naar binnen te lokken. Ik zie de Oost-Indische doofheid die ik mezelf ook heb aangemeten en die nu van de andere kant bekeken zeer hautain overkomt. Natuurlijk wordt ik getild bij de rekening. Er worden aan alle kanten peso’s bijgepingeld, maar wat moet je ook? Het vooruitzicht is hier zo oninteressant als de zee. Elke CUC is er één. En als je ouders of kinderen hebt is een autoband geen optie.
Iedereen heeft ouders.

sexo cubano


De engelse dame is te oud dat ’t er nog wat kan schelen, de donkere Cubaan voldoet gehorig, haar vriendinnen kijken wat opgelaten weg. De man wrijft iets nadrukkelijker met zijn heupen. De dames moeten plots weg onder aanvoering van de opgewonden vrouw. Achter hen zweept de band het zaaltje op. Schuin boven de pianist hangt het bordje NO BAILAR. Een tafel vol dames vlak voor het podium moet staan en dansen. Het wordt de Cubaanse variant op de vogeltjesdans. Hier een mierzoete variant van El condor pasa. Best wel moeilijk die Latijnse ritmes.
De bloemenvrouw komt binnen. Mijn tafel staat naast de deur maar ze loopt meteen verder. Want ik zit alleen en dus geen geliefde om op een namaakroos te fêteren. Of zijn ze echt? Ze doen de zuurstokken ernaast in elk geval verbleken. Verschillende witte mannen met donkere dochters kopen wel een bloem. En een zuurstok. Wat hebben zij dat ik niet heb? Ik heb een pen en een kladje. Dat moet toch ook wat kunnen opbrengen?
Een van de zwarte dochter mannen zit ook gewoon met zijn vrouw aan de tafel. Ze zit er zeer ongeamuseerd bij. De zwarte dochter begint te zoenen en te kroelen. De witte vrouw wil geen scène maken, sommige van haar beste vrienden zijn zwart. Nu zoenen ze vol en ongeremd. De witte vrouw staat op en begint met een donkere cubaan te praten die buiten staat en door het open raam naar binnen hangt. Dit is een ruimhartige wending. De zoenende man praat inmiddels met een witte vrouw aan de volgende tafel. Dan gaan echt alle remmen los. De grijze vader van de zwarte Cubaan in het raam komt erbij en vormt een trio met zoon en witte vrouw. De korte flirt van het witte niet-stel is weer voorbij en nu begint zwarte dochter met witte vrouw te praten. De man zakt achterover. Dan zegt hij iets tegen de witte vrouw. De zwarte dochter schudt nee.
De zwarte man in het raam knikt ja.

Five New York Minutes

Jeroen en Marlene wonen nu 8 jaar op een klein uur rijden van Manhattan. Voor het eerst in die tijd gaan we er nu fietsen. Enthousiasme over mijn hervonden hometown, een garage vol geöliede tweewielers, een fietsenrek voor achterop de Lexus Hybrid drive. Do the math.
Vanaf de 20e straat, waar de auto lekker veilig precies voor het politiebureau staat en de rode ‘no parking at any time’ bordjes onopgemerkt blijven, zijn we in een paar minuten in het stuk van de stad waar de straten namen hebben en een kaart dus nodig is.
Scherp straatvuil is echter van alle straten.
In mijn euforie over de fiets heb ik reeds een imperium opgebouwd, met honderdduizenden fietsen, fietswinkels, luchtpunten, fietspaden, lobbygroepen, slimme stallingen en schone adem. Vooralsnog natuurlijk nog slechts in mijn hoofd. Dus wie nu met een lekke band op Manhattan staat, heeft een probleem.
De I-phone van Jeroen biedt soelaas. Eén (lange) straat verder zit een winkel voor deze exotische techniek. Ik heb het over een fietsenmaker.
In een handomdraai komt het lekke voorwiel los, ik leg het als een tweede stuurwiel op het stuur van een andere fiets en ik vertrek. Het autoverkeer is inmiddels tot stilstand gekomen. Auto’s geparkeerd in de vakken en op de rijbaan. Niets beweegt meer, want hier zijn geen fietsers.
Ik draai de (lange) straat in. Grand. Zover ik kan kijken strekt hij zich voor me uit. Als een kaarsrechte rivier uitgesleten in een canyon. In de steile wanden zijn ramen, deuren en uithangborden uitgehakt. Twee rijen auto’s tot aan de horizon. De ene rij zonder, de andere rij met bestuurders. Ernaast strekt zich het fietspad uit. Gloednieuw, ongebruikt, groen beäsphalt, ook tot de horizon. Boven elk kruispunt hangen stoplichten. Als ze verspringen vormen ze een groen lint boven de weg.
Al het verkeer blijft echter stilstaan.
Behalve ik.
Ik speer langs iedereen. Het lek-gebande wiel op mijn stuur belemmert me niet bij sturen, schakelen of vaart maken. Tandje erbij. Soho wordt Chinatown, Chinatown wordt buitenwijk, buitenwijk wordt havengebied.
De gezochte winkel wordt duidelijk gemarkeerd door een zwerm fietsen voor de deur en een enorme zwart geklede en –bebaarde man.
De Nieuwe Biker.
Hij praat met een klant op straat en een andere aan de telefoon en houdt ondertussen zijn hand op om mijn wiel aan te pakken. Hij rondt het telefoongesprek af, praat nog even met de klant op straat, op wat onwennige toon (het blijft een biker), hand met telefoon verdwijnt in zijn zak en komt er weer uit met een groot formaat plastic bandenlichter, wipt de buitenband van de velg, is klaar met de klant op straat, trekt binnenband van het wiel af en zegt “only by appointment.”
“You rang right?” vraagt-ie zonder dat hij antwoord wil.
Ik begin te vertellen van vrienden van buiten de stad, al jaren hier, nooit gefietst, Nederlanders nog wel, maar hij is totaal niet geïnteresseerd.
Hij loopt naar binnen, pakt een nieuwe band uit de winkel die met hem erin echt helemáál vol is, of ik dan ook buiten wil blijven. “Just watch your bike.” Hij praat alweer met een medewerker over een bestelling, pompt de band half op, zijn mijnwerkershanden duwen beide banden rond het wiel en hij neemt de telefoon alweer op. “Yeah it’s me. Happy mothers day… I know, that’s why I said it first, bitch,” was dat een knipoog? Hij praat verder, band aan luchtslang, hij reikt het wiel aan. “Eleven” zegt hij midden in een telefoonzin. Ik geef hem twintig en hij haalt het wisselgeld. Ik geef twee dollar fooi en wens hem een fijne dag.
“My mother died two years ago on mothers day.”
“Gee, I’m sorry.”
“And my father on may 18.”
“Wow, this must be a bad week for you.”
“A bad month.”
“In that case, you have a nice mothers day.”
Hij kijkt me monsterend aan. Of een klap, of een lach.
Het wordt een lach.