dinsdag 15 september 2009

Jager verzamelaar

Jager verzamelaar / de rat

Groene vingers kan je kopen. En dan niet in de vorm van een tuinman.

Ik heb het over de watertijdklok, zwarte slangen en oranje druppelaars van het Gardena Auto-aqua Plus 2000 systeem, of hoe het ook mag heten.

Na vele dure tripjes naar het tuincentrum en evenveel vruchteloze plantpogingen in evenveel voorjaren die steevast uitliepen op dorre scharminkels in vensterbanken, hangbakken, hydroculturen en speciekuipen, drong het uiteindelijk tot mij door dat de natuur het niet van mij moest hebben. Aanvankelijk denk je nog dat het aan je plantkeuze ligt, of de felle zon. Of de afwezigheid van felle zon. Maar dan valt de ware oorzaak niet langer te ontkennen, en komt zelfs als een heuse bevrijding. Een bevrijding die zo’n 100 euro kost. Maar dan heb je ook wat.

De nieuwe planten waren nog plantjes, de bakken vol van nieuwe aarde en wat mysterieuze meststokjes van de Lidl, toen de zwarte slang zich door alle bakken ging kronkelen, langs alle nieuwe aanwas.

Het resultaat was wonderbaarlijk. Na enige maanden was het oerwoud op mijn balkon meters hoog, prachtig groen, vol bloemen en schier ondoordringbaar.

Schier.

Zoals elke balkongebruiker in Amsterdam, of waar dan ook, heb ik medegebruikers. Duiven. Nu is dat, in mijn geval, op zich niet verwonderlijk. Ik hang namelijk vetbolletjes, pindasnoeren en vogelvoederaars gevuld met knapperige zaden aan speciaal daartoe ontwikkelde en aangebrachte vogel-landing-takken en geniet zeer van mussen, kool- en pimpelmezen, lijsters, merels, roodborstjes, Vlaamse gaaien, halsbandparkieten, kauwtjes en een zwarte kraai.

Maar niet van duiven.

Is het hun reputatie als ratten van de lucht? Hun stupiditeit? Hun hardleersheid? Hun domme gekoer? Hun gedegenereerde leger van mismaakte pootjes en halve vleugels? Hun lethargische wachten op neervallende lekkernijen terwijl hun klassegenoten boven hun hoofdjes halsbrekende toeren uithalen om zaadjes en pinda’s los te wurmen uit tot aeronautische hoogstandjes uitdagende plastic voerdispensers? Of de slimheid dat ze er juist onder gaan zitten wachten?

Zoek maar een reden uit; ik vind het kolerebeesten.

Elk jaar kwamen ze weer nestjes bouwen en eitjes leggen en elk jaar gooide ik de prille broedsels bij ontdekking weer over de balustrade. Zonder blijvend resultaat, want binnen een week was er een nieuw nest in aanbouw. Het is gewoon niet in die domme duivenkoppen te rammen dat ze niet gewenst zijn.

Nu heb ik ooit van een vriendin voor mijn verjaardag een dartboard gekregen. Het was een erg lieve vriendin, maar een dartboard voor mij was geen geweldig cadeau. Ze had het ding gekocht bij de curieuze en helaas ter ziele Harte Sportartikelenwinkel aan het Hugo de Grootplein. Gespecialiseerd in de schietsport.

Darts waren hun meest onschuldige handel; vandaar liep de geweldsspiraal snel op via pijl en bogen, kruisbogen, Rambo-messen, alarmpistolen, luchtdrukpistolen, windbuksen en jachtgeweren naar samoeraizwaarden. En een dartboard kost evenveel als een mooi luchtdrukpistool.

Ik had dus al regelmatig met mijn pistool, liggend op de bank, van een meter of 7, een beetje halfslachtig op mijn duifjes geschoten. Ik wilde ze nooit echt raken, laat staan verwonden of erger, maar ze moesten toch in ieder geval wegwezen. Spreekwoordelijk dood. Ik raakte er wel eens eentje, en die vloog dan met achterlaten van een wolk veren naar het dak van de huizen aan de overkant. Een enkeling zat een half uurtje te trekkevleugelen als het loodje wat harder was aangekomen, maar blijvend letsel bleef weg. Dat kon ik niet van de duiven zeggen.

Toen kwam de Wende.

Dit jaar had ik al weer vijf nesten geruimd en daarmee negen duifjes prenataal geƫuthanaseerd. De ouders bleven komen. Poepend op het balkon, hun bekken opengesperd naar het vallende lekkers als ambitieuzere soorten boven hen ijverden. En doorbouwend aan het volgende nest.

Dit keer werd het nest echter niet onder een rekje, op de opgerolde tuinslang, achter een kartonnen doos, in een afwasteiltje, of tussen de lege flessen gevlochten. Dit keer was het oorlog. Dit keer hadden ze een open plek gefladderd in mijn perfect bewaterde groene oase. Het was menens.

Op het moment dat ik de arrogante oogjes in dat grijze dikke lijfje vantussen het groen naar me zag loeren was het besluit genomen; duif ging dood. Mijn planten zijn heilig.

Ik pakte mijn wapen, laadde het loden kogeltje en legde aan. De duif had echter allang het karakteristieke klakken van mijn pistool herkend en de vogel was gevlogen. En of ze het onheil voorvoelden, ik heb ze de rest van de dag niet meer gezien.

De volgende ochtend liep ik in slaapkostuum door het huis. Gordijnen dicht, nog wat slaapdronken. Op weg naar de ochtendplas. Op tafel lag mijn pistool. Nog doorgeladen van de onvoltooide jacht van gisteren.

Rustige ochtend, dichte gordijnen, geladen pistool. Als een generaal overzag ik troepen, voorraden en slagveld.

Gebukt liep ik naar de keuken, waar de deur verdekt uitzicht bood op het balkon en het gewraakte nest.

Er zat een duif op.

We zagen elkaar tegelijkertijd, en kwamen beide onmiddellijk in beweging. Ik was gefocust. De Deerhunter, de Kanonnen van Navarone, Pulp Fiction schoten door mijn hoofd. De duif wiekte op, maar werd gehinderd door het toch nog erg weelderige gebladerte. Ik legde aan. Ritselende blaren. De duif klapwiekte los. Ik drukte af. De duif viel. Niet in een gestileerde slow-motion filmbeweging. Ze viel als een baksteen. Een door veren gedempte baksteen.

Door de pootjes gezakt zat de vogel op mijn balkon. Stil. De oogleden sloten en openden. Steeds bleven ze langer gesloten. Toen viel een rode druppel naast het beestje op de planken vloer. Drup. Nog een. Drup. Drup. Een heel klein plasje. Een hoofdwond.

Ik voelde me ineens toch wel een beetje een lul.

Dat beest lag daar maar. Steeds langer bleven de ogen dicht. En ik stond nog steeds in mijn blootje de onverschrokken jager te wezen. Drup. Drup.

Eerst maar eens douchen, dacht ik, dan is-ie wel dood.

Onwillekeurig bleef ik langer dan normaal onder de douche staan. Ik dacht aan andere zaken, maar ik wilde toch wel graag zeker zijn dat de duif bij terugkomst niet meer onder ons zou zijn.

Langzaam openden de oogjes weer. Zeker een kwartier was verstreken, het plasje was niet gegroeid, de duif had geen vin verroerd, de dood was niet ingetreden.

In de keuken vond ik een kartonnen doos. Een of andere sterke drank. De duif had de ogen nu gesloten. Voorzichtig zette ik de doos over de vogel. Geen reactie. Het plan was om de vogel met een gelaarsde voet en vol gewicht uit het lijden te verlossen.

Maar zoiets geeft wel een hoop smerigheid op het balkon. Ik pakte dus een krantje en schoof dit onder de doos en onder de duif.

Ineens vloog de duif als door een adder gebeten op. Met doos en al. Veren stoven rond, de doos viel, de duif wiekte door de openstaande balkondeur de keuken in. In doodsangst vloog hij tegen het raam en viel omlaag. Een rode vlek bleef achter op het glas. Ik had de doos opgeraapt en jaagde halfhartig achter het gewonde beest. Ik wilde het met ziektekiemen verzadigde beest niet met de hand vangen en probeerde het in de doos te loodsen. Veren dwarrelden, nog een keer tegen het raam, een druppel rood begon van de vlek naar beneden te lopen.

Onder het raam stond de ovale braadslee in de gootsteen te weken, halfvol zwart water. De duif sloeg nog eenmaal langs mijn gezicht, ik maakte een slaande beweging met de doos en ving de duif in het verfomfaaide karton.

In een reflex duwde ik duif en doos in de pan en begon in de doos te knijpen. Twee handen. Kraan aangedraaid, water vulde de pan verder. Nog meer kneep ik de doos met inhoud fijn en drukte hem onder water. Het spartelen werd snel minder en verstomde. Een grijze vleugeltip stak onder de doos vandaan en uit het water. Mijn handen krulden om de doos, tot de polsen in het vuile water.

Bloed en veren lagen door de hele keuken. Op het balkon.

Het voelde of ik een heftige crime-passionel had gepleegd. Ik moest weg van de plaats van het misdrijf.

Ik waste mijn handen, dan mijn armen en gezicht. Pakte een tas en ging boodschappen doen.

Tussen de schappen dacht ik aan het lijk in mijn keuken. Keken mensen naar me om? Zagen ze het bloed aan mijn handen? Ik moest de sporen van mijn daad uitwissen zonder mezelf te verraden. Iedereen was op zoek naar de pleger van deze laffe daad. De op wraak beluste hordes zaten me op de hielen.

In de keuken is het stil. Een druppel valt van de kraan in de pan. De rimpel dooft snel en de pan is weer bewegingsloos. De grijze vleugeltip steekt uit het water.

Ik giet de pan af in de WC en loop op slippers naar de vuilcontainer op straat. Daar stort ik doos en duif met aanhangend vocht in de vulmond en sluit de klep. Ik hoor de zachte donk binnenin de container. De pan is leeg. Ik loop terug naar huis, zet de pan in de afwasmachine en druk op start. Het bewijs spoelt schoon. Ik zuig de veren op en veeg het bloed van het raam.

Aan de overkant zie ik een duif op het dak zitten. Hij zweeft naar mijn balkon, strijkt neer op de balustrade maar vliegt dadelijk weer op.

Nog twee keer zie ik hem in de volgende dagen, daarna is hij verdwenen.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten